sluiten

Inloggen

Log hieronder in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.

Deze ontvangt u van ons bij het afsluiten van een (proef)abonnement.

Nog geen inlog? meld u gratis aan


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een (proef)abonnement?.
Neem dan contact op met BIM Media Klantenservice:

sluiten

Welkom bij Kennisbank NEN 3140 inclusief norm NEN 3140

 

Kennisbank NEN 3140 inclusief norm 3140 is een samenwerking met NEN, Nederlands Normalisatie-instituut. Hierdoor is de laatste editie van de norm NEN 3140 integraal beschikbaar voor abonnees.

Hebt u al een abonnement op Kennisbank NEN 3140 en wilt u uw bestaande abonnement uitbreiden met de Norm, neem dan nu contact op met de klantenservice.


Wat biedt Kennisbank NEN 3140 incl. norm NEN 3140?

  • Oplossingen voor technische problemen
  • Volledige normtekst met uitleg
  • Metingen en inspecties
  • Uitleg en samenhang van Normen en Wetten
  • Rekenmodules 
  • Best practises
  • Interactieve formules, begrippen en tabellen
  • Lastige vragen? Die legt u zonder kosten voor aan dé experts
Nu abonneren >

Abonnement € 325,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op Kennisbank NEN 3140

“ De NEN 3140 boeken hielpen mij al goed op weg, maar via de Kennisbank heb ik alles bij elkaar en altijd op actueel. De kennisbank vertaalt bevat de volledige Norm NEN 3140 met links naar de praktijktische uitleg, waardoor achtergronden van de norm duidelijk worden. ”
 

Jaap Jansen,
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakmedianet Klantenservice in 088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

sluiten

Welkom bij de Kennisbank NEN3140

= Wilt u upgraden naar een Premium Account? =

Om de uitgebreide informatie op de kennisbank te kunnen lezen heeft u een inlogcode nodig. Deze ontvangt u bij het afsluiten van een abonnement. Het (proef)abonnement is per half november beschikbaar.

Waarom de NEN3140-kennisbank

  • Kennis van experts altijd beschikbaar
  • Antwoorden, oplossingen en tools
  • Toevoegen van eigen notities mogelijk
  • Praktijkcases, veelvuldig aangevuld Bekijk de voorbeelden
  • Handige formules en interactieve berekeningen. Bekijk de voorbeelden
Neem nu een abonnement >

Abonnement € 325,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op NEN3140

“ De NEN3140 boeken hielpen me al goed op weg, maar met de Kennisbank NEN3140 zijn antwoorden, oplossingen en tools altijd en overal beschikbaar ”
 

H. Vlottes, directeur Vlottes Electromechaniek
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakedianet Klantenservice

Bel onze servicedesk (open tijdens kantooruren)
Telefoonnummer: ​088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

Doel van inspectie van verplaatsbare apparatuur

De periodieke controle  van apparatuur is een preventieve maatregel. Deze heeft het tijdig constateren van afwijkingen tot doel, zodat het gebruik van de apparatuur niet wordt belemmerd en er geen gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Als de elektrische apparatuur periodiek onderhouden wordt, kan de periodieke veiligheidscontrole hierin worden meegenomen.

 

Met name arbeidsmiddelen, meestal handgereedschappen genoemd, worden overal gebruikt. Ze kunnen worden onderscheiden door de manier waarop de aandrijving plaatsvindt. We kennen gereedschappen die met de hand worden aangedreven, persluchtgedreven en hydraulische gereedschappen en elektrische arbeidsmiddelen. In deze paragraaf komt alleen gereedschap aan de orde dat elektrisch wordt aangedreven.

Klassenindeling van elektrisch handgereedschap

Elektrische apparaten worden ingedeeld in vier klassen, op basis van de manier van bescherming tegen elektrische schok.

 

KLASSE 0 Klasse 0-apparaten hebben geen andere bescherming dan alleen de functionele isolatie . Bij een defect in het apparaat is het mogelijk dat de metalen buitenkant onder spanning komt te staan. Voor de gebruiker kan dit levensgevaarlijk zijn. Het is dus van belang dat de weerstand van de isolatie voldoende hoog is. Apparaten van klasse 0 komen tegenwoordig bijna niet meer voor. Zelfs schemerlampen hebben tegenwoordig een dubbelgeïsoleerd snoer en een kunststof fi tting. Elektrische arbeidsmiddelen volgens klasse 0 komen alleen in zeer bijzondere omstandigheden voor. Het gaat dan meestal om oude machines voor speciale toepassingen.

 

KLASSE I Bij klasse I-apparaten is de metalen buitenkant van het apparaat verbonden met een beschermingsleiding (aardleiding). Als bij een defect in het apparaat de metalen buitenkant onder spanning komt te staan, moet de beveiliging in de installatie aanspreken. De metalen buitenkant is via de beschermingsleiding verbonden met de aarde. Hierdoor gaat er bij een dergelijk defect een grote stroom lopen, afhankelijk van de spanning en de hoeveelheid weerstand in het circuit. Deze stroom doet de beveiliging aanspreken. Voorwaarden voor een goede werking zijn:

•       de beschermingsleiding moet aangesloten en intact zijn;

•       de beschermingsleiding moet een lage weerstand hebben;

•       de weerstand van de isolatie moet hoog zijn.

 

KLASSE II Bij klasse II-apparaten is er behalve de functionele isolatie nog een tweede isolatielaag aanwezig. Deze tweede laag zorgt ervoor dat de buitenkant van het arbeidsmiddel niet onder spanning kan komen te staan, zelfs niet bij een defect in het apparaat. Klasse II-apparaten mogen nooit met de aarde worden verbonden en hebben dus altijd een tweeaderig snoer. Het is van groot belang dat de weerstand van de isolatie bijzonder hoog is.

 

KLASSE III Klasse III-apparaten werken op een veilige extra lage spanning. Deze spanning is afhankelijk van de omstandigheden maximaal 50 V bij wisselspanning of 120 V bij gelijkspanning. Door de lage spanning levert een defect geen elektrisch gevaar op.

Welke metingen

De volgende metingen en/of beproevingen moeten worden uitgevoerd, voor zover van toepassing:
1.    weerstand van de beschermingsleiding;
2.    isolatieweerstand;
3.    vervangende lekstroom;
4.    goede werking van de aardlekschakelaars;

 

Het meten van de weerstand van de beschermingsleiding is niet voorgeschreven in de NEN 3140. Deze meting is echter zeer sterk aan te bevelen.

1. Weerstand van de beschermingsleiding

Bij deze meting gaat het erom te bepalen of de beschermingsleiding aangesloten en van voldoende lage weerstand is. Als de beschermingsleiding niet (goed) is aangesloten, spreekt de beveiliging bij een defect niet aan en blijft er spanning op het metalen omhulsel van het apparaat staan. Is de weerstand te hoog, dan zal de beveiliging niet of te laat aanspreken. Ook dit is een gevaarlijke situatie. Door het arbeidsmiddel aan te sluiten op het meetapparaat wordt de beschermingsleiding aangesloten op een vaste, lage wisselspanning. Door de meetsonde te verbinden met de metalen buitenkant ontstaat een meetcircuit en gaat een stroom door de beschermingsleiding vloeien. Door nu de bekende spanning en de gemeten stroom door elkaar te delen, is de weerstand te berekenen. Het meetinstrument doet dit automatisch en geeft direct de weerstand van de beschermingsleiding aan.

NEN-EN 50110 / NEN 3140 De weerstand van de beschermingsleiding bij apparatuur met een aansluitleiding tot circa vijf meter moet beneden 0,3 Ω blijven. Bij langere aansluitleidingen moet de waarde worden berekend door middel van de formule:

R ≤ 0,2 + ρ ⋅l  / S

waarbij:

•       R = weerstand van de beschermingsleiding, inclusief overgangsweerstanden van contacten;

•       ρ = soortelijke weerstand van het geleidermateriaal (koper = 0,0175 Ωm/mm2);

•       l = lengte van de leiding;

•       S = doorsnede van de leiding.

Voor het bepalen van de maximale weerstand mag ook gebruikgemaakt worden van onderstaande tabel.

2. Isolatieweerstand

Het doel van de meting van de isolatieweerstand  is om vast te stellen of de isolatie tussen de spanningvoerende delen en de metalen delen van het arbeidsmiddel een voldoende hoge weerstand heeft. Is dat niet het geval, kan er spanning op de metalen delen komen te staan. Een spanning op de aanraakbare metalen delen van het arbeidsmiddel kan voor de gebruiker een gevaarlijke situatie opleveren. Voor de aansluiting van het arbeidsmiddel op het meetapparaat worden fase en nul kortgesloten en aangesloten op een spanningsbron die een constante, vrij hoge gelijkspanning afgeeft De bedieningsschakelaar moet worden gesloten om alle onderdelen van het arbeidsmiddel te meten. Door de beschermingsleiding (bij klasse I-apparaten) of de meetsonde te verbinden met de metalen buitenkant (klasse II-apparaten) ontstaat een meetcircuit. Door de bekende spanning en de gemeten stroom op elkaar te delen, is de weerstand te berekenen. Het meetinstrument doet dit automatisch en geeft direct de isolatieweerstand aan. De isolatieweerstand moet zowel volgens de NEN-EN 50110 / NEN 3140 als VDE 701 en 701 minimaal voldoen aan bepaalde waarden.

 

De minimale waarde van de isolatieweerstand volgens de NEN-EN 50110 / NEN 3140 moet voldoen aan de in onderstaande tabel egeven waarden.

 

Mogelijke meetfouten

  1. De sonde is niet aangesloten. In dit geval zal de weerstand oneindig zijn. Het grote gevaar hiervan is, dat dit ook de waarde is die wordt gemeten bij een zeer goede isolatie. Hierdoor kan deze fout gemakkelijk onopgemerkt blijven. Bij meer metalen delen moet de isolatieweerstand bij alle delen gemeten worden.
  2. De sonde maakt slecht contact met het metalen omhulsel, waardoor er een overgangsweerstand aanwezig is. Deze overgangsweerstand staat in serie met de isolatieweerstand. Het meetresultaat zal dus te hoog zijn; de isolatieweerstand is in werkelijkheid lager.
  3. De bedieningsschakelaar is niet gesloten. In dit geval wordt alleen het aansluitsnoer tot de schakelaar gemeten.

 

3. Meting vervangende lekstroom

Bij sommige klasse I-apparaten is de isolatieweerstandmeting niet goed uit te voeren. Keramische verwarmingselementen kunnen bijvoorbeeld het meetresultaat bij de isolatieweerstandmeting ongunstig beïnvloeden. Hierdoor zou een apparaat afgekeurd kunnen worden, terwijl het bij normaal gebruik geen gevaar oplevert. In dit geval – als de isolatieweerstand te laag is – kan een lekstroommeting uitgevoerd worden. De lekstroom  is de stroom die door de beschermleiding of via andere geleidende delen wegvloeit. Als de lekstroom wordt gemeten terwijl het apparaat normaal in bedrijf is, spreken we over de reële lekstroom. Om veiligheidsredenen wordt de lekstroom vaak gemeten met een veilige meetspanning. We spreken dan over de vervangende lekstroom .

 

Voor een goede lekstroommeting moet het apparaat geïsoleerd ten opzichte van aarde zijn opgesteld. Voor het aansluiten van het arbeidsmiddel op het meetapparaat worden de fase en de nul kortgesloten en aangesloten op een wisselspanning. Door de beschermingsleiding is er een meetcircuit. De bedieningsschakelaar moet worden gesloten. De spanning die gebruikt wordt bij de meting is afhankelijk van de fabrikant van het meetapparaat. Het is van belang dat de meting veilig wordt uitgevoerd. Dit wordt in de eerste plaats bereikt door de meting galvanisch te scheiden van de geaarde netspanning. In de tweede plaats moet de meetspanning veilig zijn. Sommige fabrikanten hebben voor een meetspanning van 30 V of 40 V gekozen. Het meetcircuit is dan een SELV-keten. Andere fabrikanten hebben gekozen voor een meetspanning van 230 V. Om deze spanning veilig te maken bij een eventuele aanraking tijdens de meting, is de maximale stroom in de meetkasten begrensd op 3,3 mA. Dit wordt bereikt door de voedingsbron een hoge inwendige weerstand te geven. Het verkregen meetresultaat moet nu echter worden omgerekend naar de werkelijke situatie, waarbij de normale netspanning kan worden gebruikt. Het meetapparaat voert deze berekening zelf uit en geeft de juiste waarde aan. Deze meting is alleen uitvoerbaar bij apparatuur en hulpmiddelen en dergelijke van beschermingsklasse I. De eventuele bedieningsschakelaar moet zijn ingeschakeld. De aardlekstroom moet lager zijn dan 7 mA. Bij verwarmingsapparatuur met een aansluitvermogen van meer dan 6 kW mag de waarde van 15 mA niet worden overschreden.

 

De maximale waarde van de vervangende lekstroom moet voldoen aan de waarden uit tabel ZZ. De grenswaarden van de vervangende lekstroom zijn in alle normen gelijk aan elkaar.
 

 

Mogelijke meetfouten

  1. De sonde is niet aangesloten. In dit geval zal de weerstand oneindig zijn. Het grote gevaar hiervan is, dat dit ook de waarde is die wordt gemeten bij een zeer goede isolatie. Hierdoor kan deze fout gemakkelijk onopgemerkt blijven. Bij meer metalen delen moet de vervangende lekstroom bij alle delen gemeten worden.
  2. De sonde maakt slecht contact op het metalen omhulsel, waardoor een overgangsweerstand aanwezig is. Deze overgangsweerstand staat in serie met de isolatieweerstand. Het meetresultaat zal dus te laag zijn en de werkelijke waarde van de lekstroom is hoger.
  3. De bedieningsschakelaar is niet gesloten. In dit geval wordt alleen het aansluitsnoer tot de schakelaar gemeten.


Meting van de aanrakingstroom

Bij sommige arbeidsmiddelen kan het meten van de isolatieweerstand gevaar opleveren voor de elektronische componenten die erin zitten. Deze componenten kunnen door de meetspanning defect raken. Voorbeelden van deze arbeidsmiddelen zijn computers, printers en kopieermachines. Om te bepalen of het apparaat toch veilig is, kan in zo’n geval de aanrakingsstroom worden gemeten. De aanrakingsstroom  is de stroom die door een mens zou gaan lopen als hij het apparaat aanraakt. Als deze stroom beneden een voor de mens gevaarlijke waarde blijft, is het arbeidsmiddel veilig. Bij klasse I-apparaten moet de aanrakingsstroom worden gemeten tussen niet-geaarde metalen delen en aarde. Bij klasse II-apparaten moet de aanrakingsstroom worden gemeten tussen metalen delen en aarde. Het arbeidsmiddel moet tijdens de meting normaal in bedrijf zijn. In geval van een defect staat er dus spanning op de metalen delen van het arbeidsmiddel. De sonde van het meetapparaat moet verbonden worden met niet-geaarde metalen delen. Er ontstaat nu een meetcircuit vanaf de fase van de netspanning via het meetapparaat terug naar de aarde. Het meetinstrument heeft een inwendige weestand van 2 kW. Dit is ongeveer de weerstand van een mens op schoenen (in een ongunstig geval). Voor een juist meetresultaat is het noodzakelijk de meting twee keer uit te voeren; de tweede keer met de stekker (contactstop) omgedraaid.

 

De NEN-EN 50110 / NEN 3140 geeft voor de aanrakingsstroom geen waarde op. De maximale waarde van de aanrakingsstroom volgens VDE 701 en VDE 702 moet voldoen aan de in tabel X gegeven waarden.

 

Mogelijke meetfouten

  1. De sonde is niet aangesloten. In dit geval zal de weerstand oneindig zijn en wordt als aanrakingsstroom 0 mA gemeten. Het grote gevaar hiervan is, dat dit ook de waarde is die wordt gemeten bij een zeer goede isolatie. Hierdoor kan deze fout gemakkelijk onopgemerkt blijven. Bij meer metalen delen moet de vervangende aanrakingsstroom bij alle delen gemeten worden.
  2. De sonde maakt slecht contact op het metalen omhulsel, zodat een overgangsweerstand aanwezig is. Het meetresultaat zal door de hogere weerstand in het circuit dus te laag zijn.
  3. Het apparaat is niet op de netspanning aangesloten of de bedieningsschakelaar is niet ingeschakeld. In dit geval is er geen meetcircuit en zal de aanrakingsstroom dus 0 mA zijn.
  4. De sonde is geplaatst op de geaarde metalen delen. De spanning op het toestel wordt bepaald door de weerstand van het aardcircuit en de foutstroom. Het meetapparaat wordt geplaatst tussen het geaarde metalen omhulsel en het geaarde net. De verkregen aanrakingsstroom wordt bepaald door de spanning over een deel van de beschermingsleiding. De verkregen waarde is niet de aanrakingsstroom die door een mens kan gaan.

4. Meting goede werking van de aardlekschakelaars

Aardlekschakelaars  zijn in veel gevallen bedoeld voor de veiligheid van mensen. Bij 30 mA-aardlekschakelaars moet de aardlekschakelaar de elektriciteit uitschakelen voordat er een gevaarlijke stroom door een mens kan gaan. Het is van groot belang dat de aardlekschakelaar bij een defect binnen de gestelde tijd uitschakelt. De maximale uitschakeltijd is afhankelijk van de heersende stroomsterkte. Aardlekschakelaars met een uitschakelstroom van meer dan 30 mA bieden geen enkele (extra) veiligheid voor mensen! Het meetapparaat moet ingesteld worden op de nominale aanspreekstroom (waarde IΔn) van de aardlekschakelaar. Door een inwendige weerstand in het meetapparaat wordt nu een aardsluiting gecreëerd die gelijk is aan de waarde IΔn van de aardlekschakelaar. De aardlekschakelaar moet nu uitschakelen. Het meetapparaat registreert de uitschakeltijd. Deze meting kan ook uitgevoerd worden met 5 · IΔn. De aardlekschakelaar moet dan sneller uitschakelen. De aardlekschakelaar moet onbelast worden getest, dus zonder dat er andere apparatuur is aangesloten.

 

Mogelijke meetfouten

  1. Er is een te lage waarde IΔn ingesteld. De aardlekschakelaar zal niet uitschakelen.
  2. Er is een te hoge waarde IΔn ingesteld. De aardlekschakelaar zal te snel uitschakelen.

 

Gerelateerd aan Doel van inspectie van verplaatsbare apparatuur